In dit hoofdstuk wordt de onderste laag van het NORA 9-vlaks model, de Technische architectuur, toegepast op het WVP. Achtereenvolgens de Technische Componenten, Gegevensopslag en Netwerk (in de zin van middleware/koppelvlakken). De hier opgenomen specifieke architectuur-kaders zijn gebaseerd op de NORA, WILMA, Enterprise architectuur RWS en de doelarchitectuur IHW.

De volgende afgeleide principes (AP) zijn van toepassing en vertaald naar het project.
Om hergebruik van componenten te bevorderen staan in dit hoofdstuk verwijzingen naar het Waterkwaliteitsportaal (WKP), waar vergelijkbare componenten beschikbaar zijn. Deze verwijzingen zijn cursief onderstreept weergegeven.

AP09

NORA, afgeleid principe

Voorkeurskanaal internet
De communicatie tussen klanten en het WVP is volledig ingericht op het gebruik van internet als kanaal.

AP14

NORA, afgeleid principe

Bij gerede twijfel aan de juistheid van informatie, meldt de dienstverlener dit aan de verantwoordelijke bronhouder.
Gegevens die worden aangeleverd aan het WVP worden door IHW (technisch en logisch) gevalideerd. Wanneer in dit proces (vermeende) onjuistheden worden geconstateerd dan worden deze terug gemeld aan de bronhouder. IHW zal data niet inhoudelijk bewerken, anders dan is aangegeven in het dataprotocol.

  • AP14 beschrijft de terugmeldingsplicht zoals toegepast in het kader van de basisregistraties. Hierbij is vastgelegd dat een bronhouder verplicht is om terugmeldingen over de inhoudelijke juistheid van gegevens af te handelen. In dit kader behelst terugmelding naar de bronhouder alleen de resultaten van de verwerking in het WVP. In deze meldingen wordt aangegeven hoe de aanlevering van gegevens verlopen is.
  • Gebruikers van het WVP kunnen op verschillende manieren gegevens leveren aan het WVP. Deze gegevens zijn divers van aard: gestructureerd (SQLite, shapefiles, XLS/CSV, xml/gml) en ongestructureerd (documenten zoals tekstbestanden). In ieder geval de gestructureerde data moet zowel technisch als logisch gevalideerd kunnen worden. Dit gebeurt met XSD's waar het XML/GML betreft (Het WVP-systeem moet ook een mechanisme bevatten om de SQLite-dumps te valideren). Statusindicaties die worden meegegeven na een validatie kunnen zijn: zeker, onzeker, fout.
  • Uit AP14 volgt ook dat het WVP moet voorzien in het genereren en distribueren van berichten.

AP16

NORA, afgeleid principe

Informatieobjecten zijn uniek geïdentificeerd.
De verantwoordelijkheid voor de unieke identificatie van informatie-objecten ligt bij de bronhouder. Bij de verwerking van gegevens in het WVP wordt gecontroleerd op uniciteit van de identificatie van informatie-objecten.

  • Het eigenaarschap en beheer van de brongegevens blijft bij de bronhouders. Dit houdt niet noodzakelijkerwijs in dat ook de opslag van gegevens alleen bij de bronhouders is. Met andere woorden; het WVP bevat de mogelijkheid om data naar zich toe te halen (upload via een pull-mechanisme) en op te slaan. Deze gegevensbronnen worden zo veel mogelijk as-is benaderd. Alleen daar waar het voor de functionaliteit van het WVP noodzakelijk is, (bijv. rapportage richting HWBP) worden de gegevens via een ETL-mechanisme gepersisteerd in een database.

    Voor het WKP is daar een Postgres/Postgis database voor ingericht.

  • Zodra de data in het WVP de bron wordt, mag deze worden gewijzigd.

AP36

NORA, afgeleid principe

Wanneer de levering van een dienst mislukt, wordt de uitgangssituatie hersteld.
Wanneer een gegevenslevering aan het WVP mislukt wordt de uitgangssituatie hersteld. Wanneer bij het invoeren van gegevens via het WVP (bv. in het HWBP loket) iets fout gaat krijgt de afnemer een foutmelding en worden reeds ingevoerde gegevens hersteld/bewaard.

  • Het WVP wordt modulair opgezet waarbij gegevens in verschillende stromen langs verschillende componenten door diverse lagen gaan. Deze opbouw vraagt speciale aandacht aan het verwerken van transacties. Om invulling te kunnen geven aan AP36 is in de Solutions Architectuur een Cross-cutting concern 'Transaction processing' opgenomen. Deze zorgt er voor dat iedere transactie in zijn geheel slaagt of in zijn geheel faalt. 
      
    Bij het WKP is voor de transaction processing MS-DTC gebruikt

AP39

NORA, afgeleid principe

De betrokken systemen controleren informatie-objecten op juistheid, volledigheid en tijdigheid.

Er dient in het WVP een validatiemodule te zijn die inkomende gegevens valideert op juistheid (conform Aquo) en volledigheid (ten opzichte van gemaakte afspraken). Het WVP controleert en rapporteert de tijdigheid in het kader van (wettelijke) rapportageverplichtingen. De validatie van gegevens vindt op twee manieren plaats: een technische en een logische. 

De technische validatie kan o.a. de volgende aspecten omvatten:

  • Klopt het bestandsformaat van aangeleverde gegevens met wat het WVP kan verwerken.

De logische validatiefunctie draagt samen met technische validatie bij aan de borging van de kwaliteit van de aangeleverde gegevens. 

Logische validatiefuncties controleren data op:

  • opvallende afwijkingen in de aangeleverde gegevens
  • de aanwezigheid van de vereiste relaties met andere gegevens
  • de aanwezigheid van verplichte attributen.
  • controle op het juist gebruiken van domeinen

Op basis van logische validatie kan data worden geweigerd of gemarkeerd als zeker (voldoet aan de eisen), fout (voldoet niet aan de eisen) en onzeker. De status "ongevalideerd" is hier dus niet mogelijk.
Op basis van gemaakte afspraken over de 'tijdigheid' controleert en rapporteert het WVP de verwerking van gegevens.

CP38

NORA, Concept principe

De dienstverlener zorgt ervoor dat de beoogde toegang tot gegevens en de juiste werking van zijn systemen continu alsook achteraf te controleren is

De controleerbaarheid van gebruikers- en systeemgedrag wordt gerealiseerd door registratie en bewaking van gebeurtenissen en door alarmering op het overschrijden van toelaatbare drempels.
Een van de belangrijkste aspecten van het WVP is de traceerbaarheid van gegevens: wie leverde wanneer welke gegevens en welke bronnen zijn daarbij gebruikt. Dit vraagt om een goede gebruikers-administratie en de mogelijkheid om gebruikersactiviteiten te 'loggen' en op basis van deze logging systeem-functionaliteit te starten (bijv. in de zin van terugmeldingen).


In dit hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van de term 'services' om de diensten aan te geven die het portaal invult. Dit zijn nadrukkelijk niet persé services in de zin van berichtuitwisseling via een servicebus. Wel is het een vereiste dat de genoemde services 'loosely coupled' zijn. In onderstaande concept technische solutions architectureEven bekijken hoe we dit in de PSA verwerken, aangezien daarin ook al een 'oplossingsarchitectuur' is benoemd... zijn de services op functionaliteit gegroepeerd in deelsystemen.

Verder naar Technische componenten

  • No labels